Deel I –Stand van zaken in de 30 RES-regio's
Deel I presenteert de stand van zaken van de 30 RES-regio’s, gebaseerd op de voortgangsrapportages van juli 2023 aangevuld met conclusies uit de RES-monitor 2023 van PBL en andere inzichten.
Leefomgeving
Energie in de leefomgeving
De energietransitie vindt plaats in en maakt onderdeel uit van de leefomgeving. Een strijd om de ruimte is gaande: wonen, bedrijven, landbouw, natuur en opwek van energie concurreren vaak om hetzelfde oppervlak.
Het besef groeit dat energie niet alleen vraagt om landschappelijke inpassing, maar dat toegang tot hernieuwbare energie voorwaardelijk is voor ontwikkeling van woonwijken, bedrijventerreinen, etc. Het is daarom nodig dat de ruimtelijke impact van het toekomstige energiesysteem (windturbines, zonnepanelen, geothermie, hoogspanningsmasten, batterijen, elektrolysers, trafohuisjes, etc.) goed en tijdig in beeld is en wordt meegenomen in (ruimtelijke) plannen en visies.
Energie is nog niet overal integraal onderdeel van de provinciale ruimtelijke voorstellen die eind 2023 worden opgeleverd aan het Rijk. De RES-regio’s zijn nog wisselend betrokken.
Ontwikkelingen zon en wind
Er zijn zoekgebieden voor windenergie afgevallen, o.a. vanwege knelpunten zoals netcongestie en de wespendief en het gebrek aan bestuurlijk en maatschappelijk draagvlak. Hierdoor verslechtert de verhouding wind/zon.
De nieuwe, strengere (concept) landelijke milieunormen voor wind maken realiseren van windenergie moeilijker. Windenergie op of bij bedrijventerreinen wordt lastiger, terwijl dat voor het energiesysteem juist gewenst is (vraag en aanbod bij elkaar). Daarnaast leiden de normen tot meer verspreide windmolens ('hagelslag’) en laten ze weinig ruimte voor ruimtelijke keuzes op regionaal en lokaal niveau.
De aangescherpte voorkeursvolgorde zon voorkomt, op uitzonderingen na, zon op landbouwgronden. Voor sommige - nog niet gestarte - zonprojecten vraagt dit het aanpassen van plannen. Dit kan leiden tot vertraging of afvallen van projecten.
De uitvoering van zon op dak is weerbarstig. Regio’s kunnen sturen met een “Uitvoeringsstrategie zon op daken en objecten”. Maar nationaal is het invullen van randvoorwaarden nodig, zoals vergoeding van versterking van zwakke dakconstructies en de mogelijkheid voor gemeenten om zon op dak op grotere utiliteitsgebouwen te verplichten.
Er is veel interesse voor OER-projecten (opwek op rijksgronden en –objecten). Niet alle projecten kunnen worden opgepakt vanwege beperkte capaciteit en middelen bij het Rijk.
Aandacht voor kwaliteit
Ruimtelijke kwaliteit bij zonne- en windparken, en dan vooral herstel of aanleg van natuur en vergroting van de biodiversiteit, krijgt steeds meer aandacht. Dit is echter nog lang niet overal verankerd in beleid.
Instrumenten en praktijkvoorbeelden voor ruimtelijke kwaliteit zijn inzichtelijk gemaakt en hier te vinden.
Duidelijke kaders en een procesregisseur helpen om meer kwaliteit te waarborgen.
In de nieuwe SDE++ is budget beschikbaar voor behoud van bodemkwaliteit, landschappelijke inpassing en natuurvriendelijk ontwerp en het versterken van biodiversiteit.
Kamerbrief stand van zaken SDE++ herfst 2023 | Kamerstuk | Rijksoverheid.nl
De Tweede Kamer heeft 25 miljoen euro gereserveerd voor een kwaliteitsbudget voor ecologie en landschap bij energieprojecten. Dit vraagt de komende periode verdere uitwerking door het Ministerie van EZK met partners.
Kabinetsaanpak Klimaatbeleid | Tweede Kamer der Staten-Generaal
Interbestuurlijke samenwerking
Interbestuurlijke verhoudingen
Gemeenten en provincies pakken steeds meer hun rol als bevoegd gezag, nu concrete besluiten en vergunningen aan de orde zijn.
Meerdere provincies sturen sterker op meer wind en op meer zon op dak, meer multifunctioneel ruimtegebruik bij zon-pv, en minder zon op land. Dit doen zij o.a. voor meer balans in het regionale energiesysteem en voor een kwalitatief betere ruimtelijke inpassing. De wijze van sturen leidt soms tot spanningen binnen de RES-regio’s. Hierbij komt dat nieuwe coalities na de provinciale verkiezingen soms een significant andere politieke kleur hebben.
Provincies hebben vanuit hun coördinerende rol daarnaast de verantwoordelijkheid voor het maken van ruimtelijke voorstellen. Op het integraal programmeren van de energie-infrastructuur zijn provincies trekker van het proces. Gemeenten en regio’s zijn hierbij tot nu toe wisselend betrokken.
Sommige waterschappen zijn minder zichtbaar in de RES dan voorheen.
Het Rijk heeft, onder andere met het NPE en PEH, een visie ontwikkeld en gedeeld op het energiesysteem van de toekomst. Dit geeft houvast en perspectief voor de regio’s. Het Rijk wordt hierdoor ook zichtbaarder in de interbestuurlijke samenwerking.
Daarnaast zijn er meer (sectorale) kaders opgesteld: bijvoorbeeld via de concept landelijke milieunormen wind en de aangescherpte voorkeursvolgorde zon. Dit zet de interbestuurlijke samenwerking soms onder druk.
De uitdaging is dat alle partijen – ieder vanuit de eigen rol – gelijkwaardig in de regio het gesprek blijven voeren over het uitvoeren van de afgesproken gezamenlijke ambities.
Regionale samenwerking
In sommige regio’s geeft de rol van gemeenten en provincies als bevoegd gezag uitdagingen voor de samenwerking, en is het zoeken naar de rol van de RES-samenwerking.
In steeds meer regio’s wordt de RES-samenwerking verbreed en benut voor het in de regio gezamenlijk werken aan het brede energiesysteem: naast opwek wordt daar ook besparing, warmte, infrastructuur, etc. op de regionale tafel besproken.
Op alle schaalniveaus (lokaal, regionaal, nationaal) is het beleid in beweging: de ‘beleidsarena’ en ‘projectarena’ komen steeds meer samen (zie afbeelding). Het maken van beleid gebeurt nu vaak losstaand van de uitvoering. Beleid helpt de uitvoering, maar werkt die soms ook juist tegen.
De regio is onverminderd van belang voor afstemming en verbinding op de gezamenlijke opgave, juist omdat in de regio de verschillende beleidsarena's en de projectarena bij elkaar komen.
Er is een grote zoektocht naar samenhang en/of integraliteit, zowel in de RES’en als in andere trajecten (o.a. ruimtelijk voorstel, integraal programmeren). Veel tafels zien daarbij de eigen tafel als de ’hoofdtafel’: integraliteit wordt nog vaak gezocht vanuit de eigen denkrichting.
Maatschappelijke betrokkenheid
Participatie
Participatie wordt in veel RES’en opgepakt door gemeenten. Regio’s hebben hier vaak beperkt zicht op.
Gemeenten zijn steeds actiever aan de slag met participatie. Meer ambtenaren hebben tijd voor participatie en steeds vaker is participatie verankerd in beleid (58% vorig jaar tot 77% nu).
Meer participatie (80%) vindt plaats bij gemeentelijke beleidsontwikkeling. Hierbij worden steeds vaker burgerfora ingezet.
De inbreng van bewoners leidde vooral tot extra eisen voor ruimtelijke kwaliteiten voor proces- en financiële participatie.
De grootste weerstand van inwoners vindt plaats in de fase van het vaststellen van locaties voor wind- en zonneparken en in de projectontwikkelingsfase van windparken.
(Conclusies uit periodiek overzicht inwonerparticipatie TNO)
Lokaal eigendom
Energiecoöperaties verleggen hun focus naar het lokale energiesysteem en warmte (energiegemeenschappen), onder andere omdat realisatie van opwek via zon en wind moeilijker wordt. Lokaal Eigendom | Regionale Energiestrategie
De doelstelling van 50% lokaal eigendom wordt vooralsnog niet behaald. Voor wind op land is het aandeel toegenomen. Voor zon op land is het aandeel gedaald door de realisatie van een paar grote projecten met geen tot weinig lokaal eigendom. (Monitor Financiele Participatie 2022),
Positieve voorbeelden van lokaal eigendom zijn er ook: inkomsten van windmolens van energiecoöperatie Betuwewind worden bijv. gebruikt voor duurzaamheidsprojecten in de omgeving en om energiekosten voor leden te verlagen. Hierdoor groeit het draagvlak. Energiecoöperaties - praktijkvoorbeelden van lokaal eigendom,
Tegelijk neemt het belang van lokaal eigendom toe. Het bewustzijn groeit dat lokale regie op elektriciteit (en daarmee op opwek) belangrijk is. In de Tweede Kamer gaan stemmen op om lokaal eigendom een wettelijke grondslag te geven. De minister voor Klimaat en Energie deed onderzoek, naar de mogelijkheden. Video: de uitdagingen van Lokaal Eigendom
Samenwerking tussen gemeenten en energiecoöperaties is in de praktijk juridisch ingewikkeld, o.a. vanwege staatssteunregelgeving. Gemeenten hebben behoefte aan regels die het mogelijk maken om nauwer te kunnen samenwerken met energiecoöperaties.
Energiesysteem
Samenhangend energiesysteem
Bedrijven, inwoners en overheden zoeken steeds vaker samen naar oplossingen voor netcongestie. Hiermee ontwikkelen ze het lokale energiesysteem door bijv. energie te delen, via energy hubs of door flexibiliteitsoplossingen.
Vraag, aanbod, infrastructuur en flex (opslag, conversie, vraagsturing) hangen onlosmakelijk samen. Meerdere regio’s zijn daarom gestart met opstellen van een regionale energievisie. Deze kan nuttige input zijn voor de provinciale energievisie.
In alle provincies wordt gewerkt aan integraal programmeren. In het eerste PMIEK (juli 2023) is afgewogen welke infrastructuurprojecten maatschappelijke prioriteit krijgen. Infrastructuur voor opwek krijgt hierin vaak een lage prioriteit, tenzij deze gecombineerd is met energievraag. Provincies, gemeenten, netbeheerders en andere betrokken partijen gaan verder aan de slag met het opstellen van energievisies. Nog niet alle regio’s zijn hierbij goed aangesloten.
Regio’s wachten met smart op de nieuwe Energiewet. Daarmee ontstaan meer mogelijkheden voor energiedelen.
Er is grote behoefte aan langetermijnbeelden voor het energiesysteem. Nationaal geeft het Nationaal Plan Energiesysteem een eerste richting. Regionaal en lokaal moet dit beeld nog worden uitgewerkt.
Energiesysteem van de toekomst wordt centraal én decentraal
Netcongestie
Netcongestie / netschaarste is overal in Nederland een belemmerende factor. Op het hoog-, midden- en steeds vaker ook het laagspanningsnet.
Netbeheerders investeren de komende jaren 8 miljard in het elektriciteitsnet. Hiervoor hebben ze een gezamenlijk uitvoeringsplan opgesteld om regionaal netuitbreidingen te versnellen. Dit vraagt o.a. dat vergunningverlening onder hoog tempo gebeurt en energie-infrastructuur een prioritaire plek krijgt in ruimtelijke ontwikkelingen. De laatste RES-netimpactanalyses laten doorschemeren dat het netwerk veel meer aan kan dan 35 terawattuur. Maar hoeveel extra terawattuur de komende jaren al een plek kan krijgen op het netwerk is nu nog niet te zeggen.
Bouwen alleen is niet voldoende. We moeten ook zorgen dat netverzwaring niet overal nodig is. Netverzwaring op deze schaal geeft hoge maatschappelijke kosten: de energierekening zal naar verwachting sterk toenemen.
Mede daarom is naast netverzwaring juist ook doorontwikkeling van het decentraal energiesysteem nodig. Hier vinden vraag en aanbod elkaar slim, via bijvoorbeeld local4local, energiehubs en energiegemeenschappen. Dit vraagt om experimenteerruimte en nieuwe financiële en juridische mogelijkheden zoals energiedelen.
Digital Twin helpt ondernemers Drechtsteden bij aanpak netcongestie
Doelstelling opwek
35 en 55 TWh
De bandbreedte voor de verwachte hernieuwbare energieproductie in 2030 bedraagt 34 – 44 TWh, met een middenwaarde van 39 TWh.
Daarmee is de doelstelling van 35 TWh in 2030 goed haalbaar, maar is het behalen van de gezamenlijke RES-ambitie van 55 TWh in 2030 hoogst onwaarschijnlijk.
Het NPE laat zien dat het noodzakelijk is voor en na 2030 verder in te zetten op opwek via zon en wind op land, met een verdere doorgroei richting 2050. Hoe meer we realiseren voor 2030, hoe kleiner de resterende opgave richting een volledig CO2-vrij elektriciteitssysteem in 2035.
De huidige opwek is gegroeid met 3 TWh sinds 2022. Het concretiseren van de ambitie voor windenergie naar projecten stagneert. Het aantal pijplijnprojecten neemt steeds verder af. Hierdoor verandert de verhouding zon-wind. Dit is ongunstig voor het netwerk.
Ook zon op land projecten beginnen af te vallen, vooral vanwege hoge kosten voor realisatie, strenger beleid en afnemend draagvlak.
Opwek van elektriciteit kan niet los worden gezien van vraag, opslag, flexibiliteit en infrastructuur. Alle elementen van het (lokale) energiesysteem hangen samen en beïnvloeden elkaar in positieve en/of negatieve zin.
Warmte
Inzet op collectieve warmte
De (autonome) groei van all electric warmteoplossingen zet door. Steeds meer mensen schaffen warmtepompen aan, en ook veel gemeenten zien all-electric als voorkeursoptie voor duurzaam verwarmen. Dit heeft een groot effect op het elektriciteitsnetwerk. Ook gaan hierdoor de maatschappelijke kosten omhoog. Huishoudens met een lager inkomen lijken achter te blijven.
Inzet op collectieve warmte en isolatie biedt een deel van de oplossing voor netcongestie en het toekomstig energiesysteem. Het Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie (NPLW) werkt aan de versnelling van de lokale warmtetransitie. NP RES zet samen met het NPLW in op de ontwikkeling van regionale en lokale warmtenetten. Collectieve warmte verlaagt de maatschappelijke kosten en past goed binnen een robuust energiesysteem voor de toekomst. Het Nationaal Isolatieprogramma (NIP) stimuleert isolatie van woningen.
In 2026 dienen alle gemeenten een warmteprogramma op te stellen, als opvolger van de TVW. Dit vraagt om inzet van de regio’s voor het toekennen van bovengemeentelijke bronnen en inzet op (regionale) warmtenetten. Op dit moment stimuleren subsidies voor bijvoorbeeld elektrische en hybride warmtepompen de groei van all-electric warmteoplossingen. Naast een gemeentelijk warmteprogramma is daarom ook nationaal instrumentarium (beleid en financieel) nodig dat stuurt op collectieve oplossingen.
NP RES en NPLW werken aan een begrippenkader warmte, waarmee definities en monitoring verder geüniformeerd worden. Ook is een update van de factsheet warmte beschikbaar.
Data en monitoring
Verbinden met data
Overheden, netbeheerders en marktpartijen signaleren dat gedeelde data steeds essentiëler is om voortgang te boeken in de uitvoering van de energietransitie. Data helpt bij het maken van keuzes en het ontdekken van slimme oplossingen in het energiesysteem.
Verschillende regio’s ontwikkelen monitors, dashboards, digital twins en andere tools om data ondersteunend te laten zijn in de besluitvorming.
Veel regio’s missen hierbij data van de netbeheerders over verbruik, invoeding en gebruikersprofielen, die vanwege privacy- en concurrentieredenen niet gedeeld mag worden.
Steeds meer regio’s hebben geodata beschikbaar. Verzamelen en ontwikkelen hiervan gebeurt ook steeds meer op dezelfde wijze.
Voorbeeld: RES-monitor Drenthe
Drenthe gebruikt geodata om real-time de voortgang te laten zien van zon- en wind projecten. Ook laat de monitor zien of projecten al in een vergunningsfase zitten. De data kan ook worden gebruikt om ontwikkeling van opwek in te plannen in relatie tot netcongestie.
Voorbeeld: Digital twin Drechtsteden
Regio Drechtsteden verkent het lokale flex-potentieel van 10 bedrijventerreinen met behulp van een Digital Twin. De Digital Twin laat zien hoe de energievoorziening zich in een gebied ontwikkelt. Door aan bepaalde knoppen te schuiven, maakt de Digital Twin bijvoorbeeld inzichtelijk wat het verschil is als bedrijven individueel gaan verduurzamen of dat gezamenlijk doen.